Van het spoor- station Lottum

In de 19e eeuw verrees het ene na het andere treinstation in Horst aan de Maas. Vandaag de dag is alleen het station Horst-Sevenum nog in gebruikt. In de historische serie Van het spoor blikt HALLO Horst aan de Maas terug op de geschiedenis van de treinstations in de gemeente. In deze aflevering station Lottum.

In 1883 werd de spoorlijn Venlo-Nijmegen aangelegd. Men hoopte dat de spoorlijn enkele dorpen aan zou doen, maar er werd voor gekozen om het traject Venlo-Nijmegen zo recht mogelijk te laten verlopen. Dit werd gedaan met de gedachte om de goederen en de personen zo snel mogelijk te kunnen vervoeren. Als het onderweg een dorp tegenkwam was dat puur toeval. Aan het traject werden ook enkele stations gebouwd die meestal ver van de dorpskern lag en waar relatief weinig passagiers instapte. De stations waren dan ook meer bedoeld als wachtpost en als passageplaats. Ieder station had namelijk drie spoorbanen waar sneltreinen goederentreinen konden inhalen. Ook konden treinen elkaar daar passeren aangezien het traject een enkel spoor was. De meeste stations lagen dan ook zo’n 5 a 6 kilometer van elkaar af. Zo werd er ook een station in Lottum gebouwd. Het station kreeg de naam Grubbenvorst-Lottum. Het landbouwcasino in Lottum protesteerde tegen de naam ‘Grubbenvorst’ aangezien het station op Lottumse grond lag en vanwege de Lottumse belangen in de boom- en rozenteelt. Nadat Grubbenvorst een eigen halte kreeg werd de naam aangepast naar Lottum. Er reden per dag zo’n vijf personentreinen heen en weer, die bij zoveel haltes moesten stoppen dat men er dik 2 uur over het traject deed. Het traject kreeg dan ook vooral betekenis voor het kolenvervoer vanuit het zuiden. Venlo was bijvoorbeeld met het veer en de tramlijn vanuit Lottum sneller te bereiken. In 1938 werd de halte dan ook uit de dienstregeling gehaald. De halte werd nog wel voor het goederenvervoer gebruikt. Per 1 mei 1970 werd het station ook voor het geoderenvervoer gesloten. Het pand werd pas in 1973 gesloopt nadat de politie eerst, in samenwerking met de Lottumse brandweer, met harde hand een groep krakers uit het pand had verwijderd.
De stationschef in de beginjaren was de heer Asselbergs. Deze kwam niet uit de buurt maar was een ‘Hollander’, een stadsmens die probeerde zich aan te passen. Hij had gehoord dat hier vrijwel iedereen aan huis ’n varken mestte voor de slacht. Hij had nagevraagd hoe dat in zijn werk ging. Een boer in de buurt van het station zei: “Je koopt een big. Dat zet je in ’n hok, hoe dat komt niet zo nauw, en dat voer je vet met wat aardappelen, keukenafval en wat groenvoer uit de tuin. Je hebt toch ’n tuin bij het station? Plant daar wat aardappelen en voer voor het varken.” Gewapend met die kennis ging hij aan het werk. Een week na de aankoop van het big trof de boer de chef in het dorp en vroeg of het biggetje goed groeide. “Ja zeker” zei de chef. “Ik heb nog twee ‘slaaien’ in d’n hof staan, als ie die op heeft dan gaat ie aan het mes.”
In de dertiger jaren werden bij de ‘Lottumse staasie’ veel dennenstammen op maat gemaakt voor stutten in de mijnen en verladen op treinwagons. Daarmee waren altijd mannen uit de omgeving aan het werk en Tinus van Soest was een van. Tinus was een erkend ‘Sterke Man’, als je tegen Tinus zei dat hij iets niet aankon dan zei hij “dàt zulle we dàn goddoeme wàl éns zien”, hij spande zich in en dan lukte het hem meestal ook nog. Zijn werk op het station bestond uit het met de kruiwagen vervoeren van stammen van de zaagplek naar de spoorwagon. De stationschef had voor zijn tuinwerk een ijzeren kruiwagen aangeschaft. De zagers hadden het gezien en wilden met Tinus een streek uithalen. Ze zeiden: “Heb je die kruiwagen van de chef gezien? Dat is pas een grote kruiwagen. Ik wed dat je op zo’n wagen wel ’n kuub hout kunt laden. Maar ja, die kan dan niemand meer hanteren.” En Tinus “ dàt zulle we dàn goddoeme wàl éns zien”. De kruiwagen werd geleend en vierkant volgeladen. Tinus pakte de burries aan en tilde ze omhoog om weg te rijden, maar de kruiwagen bleef staan waar ie stond, alleen de burries waren omhoog gebogen, die wezen in de lucht. “Breng ‘m mà trug”, zei Tinus, “dat ding is niks wérd.”

Bron: Pim Bergs, Historische Kring Grubbenvorst-Lottum